Het diagnostisch traject

De eerste raadpleging

Bij het eerste contact wordt de patiënt geëvalueerd door de arts (geriater en/of neuroloog). In een gesprek met de patiënt, al dan niet samen met een begeleidend persoon, wordt bepaald wat de klachten, beperkingen en intacte mogelijkheden zijn. Er wordt een eerste beeld gevormd van de ernst en oorzaak van de klachten en de weerslag ervan op het dagelijks leven van de patiënt. De arts stelt enkele onderzoeken voor, die nodig zijn om een goede diagnose te kunnen stellen. Normaal zijn dit een bloedafname, een scan van de hersenen (CT of NMR) en een neuropsychologisch testonderzoek. Wanneer dit nodig blijkt, kunnen ook andere onderzoeken zoals een EEG, een ECG, en dergelijke aangevraagd worden. Een afspraak om de voorgestelde onderzoeken te laten doorgaan, wordt onmiddellijk gemaakt.

 

Uitvoeren van de onderzoeken

De onderzoeken kunnen op ambulante wijze of via een dagopname gebeuren. Een dagopname biedt een aantal voordelen. Een eerste voordeel is dat alle onderzoeken aansluitend op één dag kunnen gebeuren, wat meestal comfortabeler is voor de patiënt. Tevens worden andere teamleden zoals de ergotherapeut, de sociaal werker en eventueel de kinesitherapeut betrokken. Vòòr de tweede raadpleging worden de resultaten van de onderzoeken multidisciplinair besproken met het oog op de diagnose, het verdere beleid en de behandeling.

 

Tweede raadpleging

De patiënt wordt uitgenodigd voor een tweede raadpleging. De behandelende arts deelt de onderzoeksresultaten, de diagnose en de behandeling mee. Wanneer de diagnose ‘dementie' gesteld wordt, wordt de familie uitgenodigd voor een verhelderend gesprek (psycho-educatie) op een later tijdstip.

 

Verdere opvolging

In functie van de diagnose ‘dementie' wordt in de verdere medische opvolging van de patiënt een herevaluatie van de cognitieve functies en de ADL-functies voorzien en wordt de evolutie na het eventueel starten van een cholinesteraseremmer of andere medicatie opgevolgd.

 

Indien belangrijke psychologische en/of gedragsmoeilijkheden aanwezig zijn, wordt een doorverwijzing naar een ouderenpsychiater gepland. Voor psychologische begeleiding van de patiënt of de mantelzorger kan ook doorverwezen worden naar een psycholoog van het ouderenteam van het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg die tweewekelijks in het ziekenhuis aanwezig is.

 

Wanneer dit relevant blijkt voor de thuiswonende patiënt met beginnende dementie, kan het team ook een voorstel tot cognitieve vaardigheidstraining doen.