De verdoving
De bewakingsapparatuur wordt eerst aangesloten. Uw kind krijgt plakkers op de borst om de hartslag en ademhaling te meten en een knijpertje op de vinger om het zuurstofgehalte in het bloed te meten. De bloeddruk wordt aan de arm gemeten.
Afhankelijk van de voorkeur van de anesthesist en de leeftijd van uw kind, kiest de anesthesist de manier van verdoving.
De inleiding van de anesthesie gebeurt meestal door het plaatsen van een doorzichtig maskertje op de mond en neus. De anesthesist zal dan anesthesiedampen via het maskertje toedienen. Door de ademhaling zal het kind deze opnemen en in slaap vallen. Vaak gebeurt het dat uw kind onwillekeurige bewegingen maakt tijdens het inleiden van de anesthesie. Dit is normaal en is geen reden tot ongerustheid. Bij het bereiken van de juiste narcosediepte verdwijnt dit spontaan.
De verdoving bij uw kind kan ook toegediend worden via een infuus. De medicatie wordt dan rechtstreeks in de bloedbaan gebracht. Deze methode is snel en zeer veilig maar vereist wel dat vooraf een infuusnaald wordt geplaatst.
Zodra uw kind slaapt wijst een verpleegkundige u de weg terug naar de kinderafdeling. De kinderafdeling wordt gebeld wanneer uw kind op de uitslaapkamer (recovery) is aangekomen.