Pacemaker

Een pacemaker is een klein toestel dat men onder de huid inplant en dat op bepaalde momenten elektrische signalen kan geven aan de hartspier. Hij bestaat uit een geminiaturiseerd elektronisch circuit en een compacte batterij, en heeft een titanium omhulsel. Er bestaan zowel pacemakers die met één hartkamer verbonden zijn, als tweekamer pacemakers. Pacemaker 3 corr Voorbeeld van een pacemaker met één lead

 

De pacemaker is door middel van fijne draadjes (leads) verbonden met de rechter hartkamer en/of de rechter voorkamer. De fijne elektrische draadjes zijn omgeven door isolatiemateriaal. Via de draadjes voelt de pacemaker de elektrische activiteit in het hart en kan hij indien nodig het hartspierweefsel gaan stimuleren. De leads kunnen kleine vleugeltjes hebben zodat ze ergens achter blijven haken of met een klein schroefje vastzitten in de wand (meestal van de rechter voorkamer).

 

Wanneer plant men een pacemaker in?

 

Een pacemaker is noodzakelijk bij belangrijke geleidingsstoornissen in het hart die leiden tot een onvoldoende pompwerking van de hartspier. Dit kan soms aanleiding geven tot duizeligheid en flauwvallen met bewustzijnsverlies (syncope). In sommige gevallen is een pacemaker nodig omdat de patiënt vertragende medicatie moet krijgen om periodes van snelle hartslag te vermijden. Door deze medicatie ontwikkelt de patiënt een trage hartslag die dan weer kan leiden tot duizeligheid en syncope.

 

Hoe wordt een pacemaker ingeplant? 

 

Bij implantatie van een pacemaker moet u volledig nuchter zijn gedurende 6 uur. De procedure gebeurt enkel met een lokale verdoving. De implantatie vindt meestal plaats aan de rechterzijde van het lichaam, al zijn hierop uitzonderingen mogelijk (bijvoorbeeld bij jagers om de terugslag van het geweer op de pacemaker te vermijden).

 

De arts maakt net onder het buitenste derde van het sleutelbeen een korte insnede van een vijftal centimeter. Nadien wordt een klein bloedvaatje opgezocht en worden de beide verbindingsdraadjes (leads) doorheen het bloedvaatje in de rechter hartkamer en voorkamer aangebracht. Soms is dat kleine bloedvat niet aanwezig en wordt een grote ader onder het sleutelbeen aangeprikt. De positie van de leads wordt gecontroleerd met radioscopie (röntgenstralen). Vervolgens test men de functie en de positie van alle leads en doet men eventueel de noodzakelijke aanpassingen.

 

Vervolgens maakt de arts onder de huid en de oppervlakkige vetlaag een holte vrij voor de pacemaker. Alles wordt grondig ontsmet. De huid wordt gesloten met verschillende lagen draad.

  

Controle en opvolging na implantatie

 

Afhankelijk van het type draad van de bovenste laag moet u eventueel een tiental dagen na de implantatie uw huisarts contacteren voor het verwijderen van de hechtingen. De eerste 24 uur na plaatsing houdt u uw arm best tegen het lichaam om het losraken van de pas geplaatste leads of een verplaatsing van de pacemaker te vermijden. Daags na implantatie maakt men een controlefoto om de positie van de leads te controleren en wordt ook de pacemakerfunctie voor een eerste keer gecontroleerd. De eerste weken mogen met de arm aan de zijde van de pacemaker geen zware lasten worden getild en mag die arm niet boven het hoofd worden gehouden (om bijvoorbeeld het haar te kammen!). Dit om te vermijden dat er een trekkracht op de leads komt die in de eerste weken nog zou kunnen leiden tot een verplaatsing ervan.

 

De eerste controle gebeurt reeds tijdens de hospitalisatieperiode waarin de pacemaker werd geplaatst. Eén maand later volgt een tweede controle. Dit is noodzakelijk omdat de gevoeligheid van het toestel nog kan veranderen door een mogelijke ontstekingsreactie tussen de lead en de hartwand.

 

Nadien is een zesmaandelijkse controle noodzakelijk. De controle gebeurt met een speciale computer of programmer. Via dit uitleestoestel doet de arts doorheen de huid een controle van de verschillende instellingen van de pacemaker, van de levensduur van de batterij en van de status van de leads. Deze controle is pijnloos. Eventueel kan langs deze weg de pacemaker ook een herprogrammatie krijgen.

 

Een pacemaker gaat gemiddeld 6 tot 10 jaar mee, nadien wordt het apparaatje vervangen op dezelfde manier als bij een implantatie, alleen blijven de leads meestal ter plaatse, afhankelijk van de testresultaten. Als hieruit toch blijkt dat de lead(s) slijtage oplopen, wordt bovendien een nieuwe lead geplaatst.