Defibrillator of ICD

ICD 6 Links een ICD, rechts een pacemakerEen ICD (Implanteerbare Cardiale Defibrillator) of kortweg defibrillator is qua vorm te vergelijken met een pacemaker, maar is wat groter en dikker.

 

In principe kan een ICD alles wat een pacemaker kan. Hij houdt het hartritme in de gaten en zal zo nodig een elektrisch impuls geven wanneer het hart te traag zou slaan. Echter een ICD heeft een zeer specifieke andere functie: het hart ‘defibrilleren’ wanneer het ‘fibrilleert’.

 


Dit fibrilleren is een levensbedreigende situatie die veroorzaakt wordt door een elektrische ‘storm’ in het hart, waardoor er geen normale elektrische geleiding meer mogelijk is. De hartspier ontvangt dan zoveel prikkels om samen te trekken, dat een efficiënte samentrekking onmogelijk wordt. Het hart staat dan eigenlijk stil.

 

Een defibrillator of ICD zal op zo’n moment ingrijpen door een elektrische ontlading af te vuren, die het hart elektrisch gezien ‘reset’. Op deze manier is men beschermd tegen plotse dood.

 

Dit soort ritmestoornissen kan een gevolg zijn van een aangeboren afwijking in de elektrische prikkelvorming (bijvoorbeeld Brugada-syndroom) of van het doormaken van een hartinfarct. De ritmestoornis ontstaat dan rond het littekenweefsel dat zich gevormd heeft. In sommige gevallen zal daarom na een hartinfarct preventief overgegaan worden tot het inplanten van een ICD; dit is afhankelijk van de grootte van het infarct en van het herstel van de hartspierfunctie nadien.

 

Defibrillator Het toestel wordt meestal geplaatst onder volledige narcose (tenzij u dit anders bespreekt met uw cardioloog). Een kleine insnede van een vijftal centimeter wordt gemaakt onder het sleutelbeen, meestal aan de linkerkant, waarna een adertje wordt gezocht om de draden van de defibrillator naar het hart te kunnen leiden. Wanneer deze draden goed op hun plaats zitten, wordt de defibrillator aangesloten en onder de huid geplaatst in de vetlaag die daar aanwezig is. Na de operatie wordt u wakker gemaakt en gaat u even naar de ontwaakkamer. Gewoonlijk kan u een uurtje nadien terug naar uw kamer. In totaal kan u rekenen dat u een vier- à zestal uur van de kamer weg bent.

 

Het is niet onmogelijk dat u de dagen na het inplanten wat pijn of stijfheid voelt aan de kant van de wonde. Deze pijn zou langzaam moeten wegtrekken. In de eerste uren na de operatie krijgt u dan ook pijnstilling. Als deze onvoldoende is, mag u dit natuurlijk altijd aan de verpleging of aan uw arts melden.

 

We vragen ook om de eerste zes weken na het inplanten de arm aan de kant van de operatie niet boven de schouder te heffen. We vragen dit om de draden die in het hart geplaatst werden de tijd te geven om goed in te groeien in het hartweefsel. Mocht er in die eerste weken teveel trekkracht op deze draden komen, zouden ze kunnen verplaatsen en in het slechtste geval is dan een heroperatie noodzakelijk. Dit gaat gepaard met een verhoogd risico op ontstekingen en dat willen we natuurlijk vermijden.

 

Om een goede werking van het toestel te kunnen garanderen, zal een regelmatige controle noodzakelijk zijn. Doorgaans komt u voor de eerste keer op controle ongeveer één à twee maanden na het inplanten; nadien zal om de zes maanden een controle voorzien worden. Op deze controle wordt met een speciaal daarvoor gemaakt toestel de defibrillator ‘ondervraagd’ door middel van een magnetische kop die op de borst gelegd wordt. Dit onderzoek is volledig pijnloos. Het is mogelijk dat u bij ‘herprogrammeren’ van het toestel even wat hartkloppingen voelt. Dit is perfect normaal en is verder volledig ongevaarlijk.

 

Als na het inplanten van een defibrillator pijn op de borst ontstaat of u wordt kortademig neemt u best onmiddellijk terug contact op met uw cardioloog. Ook wanneer ter hoogte van de wonde op de borst tekens van ontsteking (roodheid, koorts, pijn, ettervorming, opzwellen van de wonde, …) dient u een arts te raadplegen!