Sluiting van het linker hartoortje

Een zeer recent ontwikkelde techniek is het percutaan sluiten van het linker hartoortje. Dit betekent dat men via katheters een soort ‘plug’ in het linker hartoortje kan plaatsen.

 

Dit kan noodzakelijk zijn omdat bij mensen met voorkamerfibrillatie of VKF klonters kunnen ontstaan in dit hartoortje die dan een beroerte zouden kunnen veroorzaken als ze in de bloedstroom terechtkomen. Normaalgezien wordt om klontervorming te verhinderen medicatie (anti-coagulatie) gegeven, maar in sommige gevallen is dit om medische redenen niet mogelijk, bijvoorbeeld bij mensen met een te hoog risico op hersenbloeding.

 

Wanneer beslist wordt om over te gaan op sluiting van dit linker hartoortje, zal dit met u besproken worden.

Via een prik in de lies zal een buisje in de ader geplaatst worden, waardoor een dunne katheter wordt opgevoerd naar het hart. De katheter wordt door de tussenwand van de voorkamers geplaatst tot in de linker voorkamer. De plug die geplaatst wordt is gemaakt uit een metalen stuctuurtje, afhankelijk van de producent wordt het bekleed met een dun laagje kunststof. De metalen plug wordt zo opgeplooid dat deze doorheen de katheter kan opgeschoven worden tot aan het hart. Eens in de linker voorkamer, wanneer de plug uit de katheter komt, zal deze vanzelf ontplooien. De plug wordt dan nauwgezet en onder begeleiding met een slokdarmechografie in het hartoortje geplaatst. Wanneer deze goed op zijn plaats zit, zal de plug van de katheter ontkoppeld worden.

   device2 Positie van de plug in het linker hartoortje.
Over een periode van enkele weken, zal de plug bedekt worden met eigen hartweefsel. Het linker hartoortje is dan volledig afgesloten en er zullen van hieruit geen klonters meer in de bloedbaan terecht kunnen komen.

 

Na het plaatsen van de plug, is het wel noodzakelijk om (net zoals bij het plaatsen van stents!) dubbele plaatjesremming in te nemen: een aspirinepreparaat en een thiënopyridine. Hoe lang u deze medicatie moet innemen, varieert van patiënt tot patiënt. Dit bespreekt u best met uw cardioloog.