Deze techniek is volledig gelijk aan deze van een ballondilatatie, alleen wordt er nu bovenop het ballonnetje een roestvrije stalen stent (een "veertje") gemonteerd. De stent wordt dan bij het opblazen van de ballon in de bloedvatwand geperst. Men doet dit om te voorkomen dat zich op de plaats van de vernauwing op korte of langere termijn opnieuw een vernauwing zou voordoen (restenose). Als de stent voldoende geopend is, verwijdert men de ballon en de geleidraad.
De stent is bovenop de ballon gemonteerd en wordt over de geleidraad tot aan het letsel gebracht. Momenteel lopen verschillende wetenschappelijke studies waarbij men stents bekleedt met verschillende actieve stoffen om de kans op een restenose nog te verkleinen.

Na implantatie van een stent moet de patiënt gedurende 1 maand extra bloedverdunners (type Ticlid, Plavix) innemen. Deze sterkere bloedverdunners moeten vermijden dat een bloedklonter een plotse verstopping van de stent veroorzaakt. Na een tweetal weken is opnieuw een normale bloedvatwandbekleding over de stent gegroeid.