Als door een hartinfarct een deel van het weefsel van het hart is afgestorven, neemt de rest van de hartspier de taak over. Een groot litteken leidt sneller tot problemen omdat het resterende hartweefsel er dan soms niet in slaagt om de taak volledig over te nemen. In dat geval evolueert men naar hartfalen. Doordat het hart er onvoldoende in slaagt om het bloed op tijd naar alle organen te pompen ontstaat er kortademigheid en vermoeidheid. Een typisch teken is ook vochtopstapeling. Door een onvoldoende werking van het hart gaan de nieren minder vocht uitscheiden. Hierdoor heeft een patiënt met hartfalen vaak opstapelingen van vocht in de benen of in en naast de longen. Vooral dit laatste geeft aanleiding tot toenemende kortademigheid.
In het stadium van hartfalen zijn de mogelijkheden om het hart te herstellen eerder beperkt. De artsen zullen bij een verzwakt hart steeds proberen om de bloeddoorstroming zo goed mogelijk te verbeteren en eventuele klepafwijkingen te repareren, maar in vele gevallen zal enkel een aanpak met medicijnen zinvol zijn. Het is voor een patiënt met hartfalen dan ook van zeer groot belang om niet alleen de medicatie zoals voorgeschreven optimaal te nemen, maar ook het gewicht zeer strikt in het oog te houden. Een kleine toename van het gewicht door vochtopstapeling van 1 tot 2 kg kan al voldoende zijn om de patiënt in het ziekenhuis te doen belanden. Tussentijdse controle en correctie door de huisarts of de cardioloog kan dit vermijden. Ook is een regelmatige fysieke training, eventueel onder de vorm van georganiseerde hartrevalidatie aangewezen om de conditie zo te optimaliseren dat de patiënt toch nog behoorlijke inspanningen kan doen ondanks een verzwakt hart.
De belangrijkste op te volgen parameters zijn: